Bloedbank

Ik ben een beetje dizzy, wat me er aan herinnert dat ik al twee jaar van plan ben om me aan te melden als bloeddonor. Een goed moment om de daad bij het woord te voegen. Gelukkig biedt echte vriend H. aan om de eerste keer mee te gaan: ‘Natuurlijk doe ik dat voor je. Ik wil jou wel eens flauw zien vallen.’

Maar eerst moet ik door de keuring. Ik krijg een vragenlijst met impertinente vragen voorgeschoteld. Heeft uw man seks met andere mannen gehad? Ja/nee. Ik gok nee. Heeft u ooit drugs gespoten? ‘Nee, ik ben braaf,’ zeg ik tegen de donorarts die controleert of ik alles wel naar eer en geweten ingevuld heb. ‘Ja, dat zeggen ze dan allemaal,’ zegt hij. Blijkbaar is bloeddonor worden geen veel voorkomende hobby onder junks.

Met een venijnig tsják! naaldje wordt er een mooie rode bloeddruppel uit mijn vingertop getoverd, in een holle usb-stick opgevangen en vervolgens in een soort pinapparaat geschoven. ‘Het moet minimaal 7,8 zijn,’zei de dokter. ‘We zijn hier heel streng.’ Het apparaat piept. De dokter kijkt teleurgesteld en laat het scherm zien: 7,5. ‘We kunnen het nog een keer proberen,’ zegt hij. ‘Soms is er de tweede keer een ander resultaat. Maar dat kan ook lager zijn natuurlijk.’ Ook mijn middelvinger wordt gemeen geprikt. Piep. 7,6. Nog steeds te laag. Gezakt voor de ijzervreterstest. Over drie maanden herkansing.

Er wordt op de deur geklopt. ‘Hans, kun je even komen? Er wordt iemand niet lekker.’ Op z’n gemak wandelt dokter Hans de wachtkamer in, waar iedereen nog rustig zit te lezen, behalve een mevrouw die op een brancard gehesen wordt om bij te komen.

Intussen word ik bij een nerveuze vrouw in een grote doktersjas geroepen, die een paar buisjes bloed wil aftappen. Om te testen of ik ondanks mijn onberispelijke gedrag toch geen enge ziektes heb, die ik via mijn bloed aan een half leeggebloed verkeersslachtoffer zou kunnen doorgeven. Met trillende stem vraagt ze of ik het niet eng vind. ‘Nee hoor,’ zeg ik opgewekt. ‘U weet toch wel dat de naald voor het doneren nog een stuk dikker is hè?’ dreigt ze nog. Omdat ik dan nog steeds niet flauw val, mag ik even kijken bij iemand die met zo’n dikke naald in zijn arm ligt. ‘Dit is wel ongeveer wat ik verwacht had,’ zeg ik. Teleurgesteld laat ze me achter bij de koffieautomaat.