Speed en sigaren

Mijn opa had een speedneus; een weke frommelneus waarvan het linker neusgat duidelijk groter was dan het rechter. Van het speedsnuiven, aldus mijn pubervrienden toentertijd. Ik zag het voor me: mijn opa ergens op een achterafwc in de machinefabriek waar hij werkte, terwijl hij zijn ene neusgat dichtduwt en het andere volsnuift met drugs. Ruiger, heldhaftiger, glorieuzer leek mijn opa ineens.

Misschien heb ik wel een opa met een geheim verleden. Hij mocht er dan uitzien als een sloffend oud mannetje, dat iedere zondag braaf twee keer in de kerk zat, maar wie weet welke jeugdzonden hij op zijn geweten had. En het lijkt misschien een beetje zielig dat hij er zo trots op was dat hij superdun aardappels kon schillen, maar waar komt die fascinatie voor scherpe messen eigenlijk vandaan?! Nu moet ik het weten ook.

Achterin de kast vind ik een stapel fotoalbums. Geobsedeerd blader ik door de foto’s van mijn kindertijd, op zoek naar aanwijzingen. Ik als baby in een doopjurk, opa trots er naast. Opa en oma met een ernstig gezicht bij hun 50-jarig huwelijk. Oma met een naaiwerkje, opa er glimlachend naast. Een sigarendoosje met klosjes garen op tafel. Dat is waar ook, opa rookte ooit sigaren, van die hele dikke bolknaks. Daar is hij al voor mijn geboorte mee gestopt, maar ineens zie ik het voor me: een dikke sigaar in zijn linker neusgat.

Er valt een losse foto op de grond. Ik raap ‘m op. Plotseling knalt een heel andere blik me tegemoet, uit opa’s jonge jaren. Een zwart-wit pasfotootje, maar de ogen toch duidelijk fel lichtblauw. Een verbeten blik, als van een bokser in de ring, klaar om zijn tegenstander een keiharde stoot op de neus te verkopen. Ik kan niet goed zien of opa’s neus hier ook al misvormd is. Zou hij echt een vechtjas geweest zijn, vroeger?

Speedneus, boksneus of sigarenhouderneus, de keuzes zijn eindeloos. Want zoals Nietszche al zei: ‘de onjuistheid van een mening is voor mij geen argument er tegen.’ Ik maak mijn eigen stoere opa.